Skip to content

25.11 uitspraak

Kern

Verzoekster ontvangt individuele begeleiding, op basis van zorg in natura (ZIN), door een begeleidster van verweerder op grond van een Wmo-indicatie.

Verzoekster informeert haar begeleidster in april 2024 dat zij van zorgaanbieder wil wisselen in verband met een vertrouwensbreuk. Op 17 juni 2024 meldt verweerder – zonder vooraf verzoekster hierover te informeren – bij de gemeente elektronisch dat de zorg van verzoekster volgens plan is beëindigd. Dit bij gebrek aan een beter passende optie en wetende dat verzoekster nog een zorgvraag heeft.  De Geschillencommissie oordeelt dat de zorgaanbieder onvoldoende aan zijn informatieplicht heeft voldaan met betrekking tot het (proces) tot beëindigen van de behandelingsovereenkomst, en acht dit geschil gegrond.

Samenvatting

Verzoekster ontvangt individuele begeleiding, op basis van zorg in natura (ZIN), door een begeleidster van verweerder op grond van een Wmo-indicatie.

Verzoekster informeert haar begeleidster in april 2024 dat zij van zorgaanbieder wil wisselen in verband met een vertrouwensbreuk. Daarna heeft verzoekster geen gesprekken meer gehad met haar begeleidster. Op 17 juni 2024 meldt verweerder bij de gemeente elektronisch dat de zorg van verzoekster volgens plan is beëindigd (een zogenoemde 307 melding). Een 307 melding is een ‘stopbericht’, de toevoeging ‘zorg volgens plan beëindigd’ is één van de opties waarmee de zorgaanbieder de reden van beëindiging kan aangeven. Later is deze gewijzigd door zorgaanbieder in ‘overstap naar andere zorgaanbieder’. Zorgaanbieder heeft hiervoor gekozen bij gebrek aan een beter passende optie om de begeleiding te beëindigen. Verzoekster verliest door de aard van de melding van de zorgaanbieder bij de gemeente haar Wmo-indicatie ‘begeleiding individueel’ met ingang van 18 juni 2024. Deze indicatie wordt na een bezwaarprocedure bij de gemeente bij besluit van 20 oktober 2024 hersteld.

Naar aanleiding van de geschilomschrijving in de ingediende stukken omschrijft de commissie het geschil, met instemming van beide partijen, als volgt: De zorgaanbieder heeft bij beëindiging van de zorg een onjuiste melding van beëindiging van de zorg bij de gemeente aangegeven namelijk dat de zorg volgens het zorgplan is beëindigd.  Naast deze vaststelling van de onjuiste melding vordert verzoekster een excuus met betrekking tot de communicatie rond de afsluitprocedure en de nadelige gevolgen die verzoekster daarvan heeft ervaren.

De geschillencommissie oordeelt ten aanzien van dit geschil als volgt. Partijen zijn het eens over het feit dat de zorg niet is beëindigd door verweerder omdat verzoekster geen zorg meer nodig meer heeft. Partijen verschillen van inzicht over de vraag of het voor verzoekster duidelijk had moeten zijn dat de behandelrelatie op dat moment beëindigd zou worden. Verzoekster stelt dat de procedure zoals die door verweerder is gevolgd ten aanzien van het eindigen van de behandelovereenkomst grote gevolgen heeft gehad omdat de reden van beëindigen geheel niet passend was bij de feiten en zij pas na beëindiging vernam dat dit was gebeurd. Verweerder stelt dat de procedure zo gevolgd is omdat er geen andere, passender optie was om tot beëindigen over te gaan.

De commissie heeft beoordeeld  of verweerder aan zijn informatieplicht heeft voldaan, d.w.z. zich voldoende heeft ingespannen om de client adequaat te informeren met betrekking tot het (proces) tot beëindigen van de behandelingsovereenkomst. De commissie is van oordeel dat het voor verzoekster voorafgaand aan het beëindigen van de behandelingsovereenkomst niet duidelijk was dat die zou worden beëindigd en ook niet om welke reden(en), hetgeen tot uitdrukking kwam door melding van de zorgaanbieder bij de gemeente. Gezien de grote gevolgen van het beëindigen van de behandelovereenkomst had het op de weg van verweerder gelegen verzoekster tijdig en voorafgaand aan het beëindigen van de behandelingsovereenkomst hier expliciet over te berichten. Uit de door de commissie ontvangen stukken blijkt op geen enkele wijze – noch uit de gevoerde communicatie, noch uit het zorgdossier –  dat dit op enigerlei wijze is gebeurd. De commissie komt tot de conclusie dat dit geschilonderdeel gegrond is.

Verzoekster wenst dat de zorgaanbieder overgaat tot het maken van excuus. De geschillencommissie heeft niet de bevoegdheid om een zorgaanbieder op te leggen een excuus aan te bieden. Tijdens de hoorzitting heeft zorgaanbieder evenwel excuus aangeboden voor de communicatie tijdens de afsluitprocedure en de gevolgen daarvan voor verzoekster.

Leerpunten zorgaanbieder

Leerpunt 1
De Geschillencommissie adviseert om de verslaglegging in het zorgdossier van een cliënt uitgebreider en eenduidiger in te vullen. Hetzelfde geldt voor het vastleggen welke relevante informatie er verstrekt is, zowel mondeling als schriftelijk.

Leerpunt 2
Zorgaanbieders dienen hun patiëntenadministratie zodanig in te richten dat hun handelen en voortgangsactiviteiten actueel en inzichtelijk zijn voor de betrokken cliënt.

Leerpunt 3
Zorgaanbieders dienen zich bewust te zijn van hun rol en verantwoordelijkheid als zorgaanbieder. Intervisie of een andere wijze van deskundigheidsbevordering zijn van belang voor de toepassing van de professionele standaard.

Leerpunt 4
Zorgaanbieders zijn verplicht (op grond van de WGBO) om informatie te verstrekken aan zorgvragers over hun situatie, voorgenomen onderzoeken en behandelingen. Overleg met andere zorgverleners over de situatie van de zorgvrager vindt alleen plaats na toestemming van de zorgvrager.

Back To Top