Skip to content

25.09 uitspraak

Kern

Verzoeker wendde zich tot verweerder, een zelfstandige kliniek voor gynaecologie, in verband met klachten die mogelijk verband hielden met haar koperspiraal. Tijdens een consult heeft de gynaecoloog in overleg met verzoeker de koperspiraal verwijderd. Verzoeker heeft gemeld dat zij en haar partner de dag voor het consult onbeschermde gemeenschap hebben gehad. Verzoeker en verweerder verschillen van mening over de timing, inhoud en strekking van het advies dat de gynaecoloog aan verzoeker heeft gegeven over het risico op zwangerschap als mogelijk gevolg hiervan. Enige tijd later bleek verzoeker zwanger. Verzoeker verwijt verweerder dat zij door het onjuiste advies, beperkt is in haar keuze om maatregelen te nemen ter voorkoming van een zwangerschap, zoals het nemen van een morning afterpil. De commissie oordeelt dit geschilonderdeel gegrond, nu de gynaecoloog (1) heeft nagelaten in het dossier vast te leggen dat zij verzoeker heeft geïnformeerd over een kleine kans op zwangerschap; (2) verzoeker niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid te wachten met het verwijderen van de spiraal en (3) verzoeker niet heeft gewezen op de mogelijkheid van noodanticonceptie en op basis daarvan  niet heeft gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de toepasselijke professionele standaard(en). De gevorderde materiële schade wijst de commissie af, omdat het causale verband tussen de tekortkoming in de informatieverplichting van verweerder en de ontijdige zwangerschap van verzoeker onvoldoende vaststaat. Als gebaar van erkenning en ter finale beslechting van het geschil kent de commissie een beperkte immateriële schadevergoeding naar billijkheid van € 1000,- toe.

Samenvatting

Verzoeker wendde zich op verwijzing van haar huisarts voor een regulier gynaecologisch consul tot verweerder, een zelfstandige kliniek voor gynaecologie. Aanleiding waren klachten die vermoedelijk verband hielden met het feit dat haar koperspiraal als gevolg van een recente gynaecologische behandeling niet meer goed was gepositioneerd. De huisarts adviseerde verzoeker condooms te gebruiken totdat een echo duidelijkheid zou geven over de vraag of de koperspiraal nog op de goede plek zat en daarmee effectieve bescherming tegen zwangerschap bood. De dag voor het consult van 2 september 2024 bij een van de bij de zorgaanbieder werkzame gynaecologen hadden verzoeker en haar partner onbeschermde gemeenschap. Tijdens het consult is een echo gemaakt waaruit bleek dat de koperspiraal nog goed op zijn plek zat. Omdat de koperspiraal mogelijk de oorzaak kon zijn voor de klachten van verzoeker heeft de gynaecoloog in overleg met verzoeker de koperspiraal tijdens het consult verwijderd. Tijdens het consult heeft verzoeker aan de gynaecoloog gemeld dat zij en haar partner de dag daarvoor onbeschermde gemeenschap hadden. Verzoeker en verweerder verschillen van mening over de timing, inhoud en strekking van het advies dat de gynaecoloog aan verzoeker heeft gegeven over het risico op zwangerschap als mogelijk gevolg hiervan. Verzoeker heeft na verwijdering van de koperspiraal op basis van het gesprek met de gynaecoloog geen aanleiding gezien om noodanticonceptie te nemen ter voorkoming van een eventuele zwangerschap. Bij een consult enige tijd later bleek dat verzoeker twaalf weken zwanger was. De zwangerschap kwam voor verzoeker om verschillende redenen op een ongewenst moment.

Het geschil luidt als volgt:
Er is volgens verzoeker een onjuist advies gegeven tijdens het consult op 2 september 2024 over het risico van onbeschermde gemeenschap de dag voorafgaand aan het verwijderen van de koperspiraal door de gynaecoloog. Verzoeker verwijt verweerder dat zij door het onjuiste advies, beperkt is in haar keuze om maatregelen te nemen ter voorkoming van een zwangerschap, zoals het nemen van een morning afterpil.

De commissie overweegt hierover het volgende.

Niet in geschil is dat de koperspiraal op verzoek en met instemming van verzoeker is verwijderd en dat die verwijdering op basis van de door verzoeker gepresenteerde klachten op dat moment was geïndiceerd. Evenmin is in geschil dat tussen verzoeker en de gynaecoloog is gesproken over het feit dat verzoeker kort voor verwijdering van de koperspiraal onbeschermde gemeenschap had. Partijen verschillen van mening over de timing, inhoud en strekking van het advies en de informatie die de gynaecoloog verzoeker in dat verband gaf.

 

Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat zij pas na het verwijderen van de spiraal met de gynaecoloog heeft gesproken over het feit dat zij onbeschermde gemeenschap had gehad de dag voorafgaand aan het consult. De gynaecoloog suggereert in haar schriftelijke verklaring van 24 februari 2026 dat het gesprek over de onbeschermde gemeenschap plaatsvond voorafgaand aan het verwijderen van de koperspiraal. Op basis hiervan kan de commissie niet vaststellen op welk moment het gesprek over het verwijderen van de koperspiraal heeft plaatsgevonden en blijft dat in het midden.

 

Voorts stelt de commissie op basis van de NHG-richtlijn anticonceptie 2023 vast dat daaruit volgt dat elke geslachtsgemeenschap die plaatsvond in de week voor de verwijdering van het spiraaltje alsnog tot een zwangerschap kan leiden. In de NHG-richtlijn wordt ook gewezen op het belang dat vrouwen die na verwijdering van een oude spiraal geen nieuwe spiraal krijgen, op dit risico worden gewezen. Op basis daarvan meent de commissie dat het op de weg van de gynaecoloog had gelegen voorafgaand aan het verwijderen van de spiraal aan verzoeker te vragen of zij in de week daaraan voorafgaand onbeschermde gemeenschap had. Verweerder heeft niet het standpunt ingenomen dat de gynaecoloog daar eigener beweging naar heeft gevraagd. Ook is het de commissie niet gebleken dat de gynaecoloog met verzoeker de optie heeft besproken om zekerheidshalve nog een week te wachten met het verwijderen van de spiraal. Verzoeker noch verweerder hebben het standpunt ingenomen dat zij over die optie hebben gesproken. De commissie meent dat de gynaecoloog deze optie voorafgaand aan het verwijderen van de spiraal had moeten bespreken. De commissie laat voor het vervolg in het midden of er voor of pas na het verwijderen van de koperspiraal is gesproken over de onbeschermde gemeenschap.

Voorts stelt verweerder dat de gynaecoloog – overeenkomstig de geldende professionele standaarden – verzoeker op het kleine risico van een zwangerschap heeft gewezen. Verzoeker betwist dat en stelt dat de gynaecoloog haar heeft gezegd dat de onbeschermde gemeenschap voorafgaand aan het verwijderen van de spiraal geen kwaad kon, vanwege de ontstekingsreactie van de spiraal. Het dossier bevat geen aantekening over het advies en de informatie die de gynaecoloog in dit verband heeft gegeven. De commissie kan daarom niet vaststellen of de gynaecoloog op dit punt aan haar informatieverplichting heeft voldaan. De commissie meent echter dat het risico daarvan onder de gegeven omstandigheden voor rekening van verweerder komt. Het advies over een risico op zwangerschap is onder de gegeven omstandigheden op basis van de toepasselijke professionele standaard een wezenlijk onderdeel van de informatieplicht van de gynaecoloog en had als zodanig in het dossier moeten worden vastgelegd.

Naast informatie over de kleine kans op zwangerschap en de optie om te wachten met het verwijderen van de koperspiraal, lag het onder de gegeven omstandigheden op de weg van de gynaecoloog, om verzoeker – in lijn met hetgeen daarover is opgemerkt in de NHG-standaard – te informeren over de mogelijkheid van een morning afterpil. Verzoeker heeft aangegeven dat niet is gesproken over een morning afterpil. Verweerder heeft dat niet betwist en de gynaecoloog heeft in haar schriftelijke verklaringen evenmin het standpunt ingenomen dat is gesproken over noodanticonceptie. Op basis daarvan neemt de commissie aan dat de gynaecoloog verzoeker hierover niet heeft geïnformeerd of geadviseerd.

Nu de gynaecoloog (1) heeft nagelaten in het dossier vast te leggen dat zij verzoeker heeft geïnformeerd over een kleine kans op zwangerschap; (2) verzoeker niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid te wachten met het verwijderen van de spiraal en (3) verzoeker niet heeft gewezen op de mogelijkheid van noodanticonceptie, heeft zij tegenover verzoeker niet gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de toepasselijke professionele standaard(en). Daarmee is verweerder tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De commissie oordeelt het onderhavige geschilonderdeel gegrond.

Verzoeker vordert vergoeding van de volgende schadeposten in verband met het onjuiste advies en de ontijdige zwangerschap:
–                Inkomens- en carrièreschade: € 12.000
–                Kosten lichamelijk herstel zwangerschap: € 2.885
–                Huishoudelijke hulp en opvang: € 8.400
–                Immateriële schadevergoeding: € 7.500
Het totaalbedrag van de gevorderde schadevergoeding (€ 30.785) is hoger dan het maximumbedrag ten aanzien waarvan de Geschillencommissie bevoegd is (€ 25.000). Verzoeker heeft uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aangegeven af te zien van het meerdere boven € 25.000, naar rato te verdelen over de verschillende schadeposten.

De commissie overweegt het volgende:

 

Om het causale verband tussen de tekortkoming in de informatieverplichting en de ontijdige zwangerschap van verzoeker vast te stellen moet worden aangenomen dat (1) de zwangerschap van verzoeker is ontstaan door de gemeenschap op de dag voor het consult bij verweerder en niet door onbeschermde gemeenschap in de dagen daarna; (2) verzoeker bij een volledig advies van verweerder zou hebben besloten een morning afterpil te nemen; én (3) deze morning afterpil de zwangerschap zou hebben voorkomen. De commissie meent dat over al deze drie voorwaarden te veel onzekerheid bestaat om het benodigde causaal verband tussen de tekortkoming in de informatie- en dossierverplichting en de ontijdige zwangerschap aan te kunnen nemen. Op grond van het voorgaande wijst de commissie de gevorderde schadevergoeding in verband met de ontijdige zwangerschap af.

De commissie neemt wel aan dat de tekortkoming in de informatieverplichting van verweerder tot gevolg heeft gehad dat verzoeker de kans is onthouden om op basis van volledige en duidelijke informatie een beslissing te nemen over het wel of niet nemen van een morning afterpil. In zoverre is zij aangetast in haar zelfbeschikkingsrecht. De gevorderde materiële schade komt in dit verband niet voor vergoeding in aanmerking, nu het vereiste causaal verband met de aantasting van het zelfbeschikkingsrecht ontbreekt.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de commissie als volgt. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het niet juist of onvolledig informeren over een mogelijke kleine kans op zwangerschap en de mogelijkheid van noodanticonceptie is naar het oordeel van de commissie niet een zodanig ernstige normschending dat op grond daarvan al kan worden aangenomen dat er sprake is van aantasting van de persoon. Verzoeker heeft echter verschillende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan kan worden aangenomen dat het voor haar van grote betekenis was om zelf invloed uit te kunnen oefenen op de timing van een volgende zwangerschap. Die feiten en omstandigheden waren (in ieder geval ten dele) ook bij verweerder bekend. De commissie ziet in deze concrete omstandigheden aan de zijde van verzoeker aanleiding voor toekenning van een beperkte immateriële schadevergoeding naar billijkheid van € 1000,- als een gebaar van erkenning en ter finale beslechting van het onderhavige geschil.

Leerpunten zorgaanbieder

Leerpunt 1

Bij het verwijderen van anticonceptie (zoals een koperspiraal) dient de zorgverlener, wanneer een (ook zeer klein) risico op zwangerschap bestaat, de patiënt volledig en zorgvuldig te informeren over dat risico en over de beschikbare keuzemogelijkheden, waaronder noodanticonceptie. Ook wanneer de arts op basis van medische bevindingen, zoals echo‑uitslagen of cyclusinschattingen, de kans op zwangerschap gering acht, blijft het van belang deze informatie met de patiënt te delen. Daarmee wordt de patiënt in staat gesteld zelf, op basis van volledige informatie, een afgewogen beslissing te nemen, zonder dat aannames over wensen of prioriteiten van de patiënt daarbij doorslaggevend zijn.

Leerpunt 2

Essentiële informatie en adviezen die verband houden met risico’s, keuzemogelijkheden en geïnformeerde besluitvorming (zoals het risico op zwangerschap en het bespreken van de mogelijkheid van noodanticonceptie) moeten concreet en verifieerbaar in het medisch dossier worden vastgelegd. Het ontbreken daarvan kan bij onduidelijkheid daarover voor rekening van de zorgaanbieder komen.

Back To Top